Wetgeving

Wetgeving koeltechnische installaties: Koelgassen

Verboden:

vanaf 1 januari 2010: R22 - R408 - R409

Toegelaten:

Gerecycleerde R22T (tot 2014) - R404 - R134 - R507

Verdere wetgeving

Men is verplicht om lekdichtheidscontroles uit te laten voeren volgens inhoud van de installatie omgerekend naar equivalenten CO2:

  • vanaf 5 ton CO2: 1x per jaar
  • vanaf 50 ton CO2: 2x per jaar
  • vanaf 500 ton CO2: 4x per jaar

Indien er een lek is opgetreden en hersteld dient te worden, dient hiervan terug een controle op dichtheid te gebeuren binnen de 30 dagen. Voor installaties met meer dan 500Ton CO² equivalenten, is men verplicht te werken met een lekdetectiesysteem.
Een logboek bij de installatie is verplicht vanaf 3 kg koelmiddel.
Gecertificeerd personeel is ook een vereiste om met koelmiddel om te gaan.

Heef u vragen of wenst u verdere informatie? Aarzel niet ons te contacteren.

Vlaamse reglementering rond ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen

Wetgeving rond de uitbating van koelinstallaties

De voorwaarden voor de uitbating van koelinstallaties (luchtconditioneringsinstallaties en warmtepompen die een koelsysteem bevatten inbegrepen) zijn opgenomen in artikel 5.16.3.3. van VLAREM 2 voor de ingedeelde koelinstallaties en hoofdstuk 6.8. voor de niet-ingedeelde koelinstallaties.

(Artikel 1.1.2. van Vlarem 2 bevat een aantal definities die in deze context belangrijk zijn (categorie ‘ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen’ en ‘koelinstallaties’).

In deze voorwaarden is een onderscheid gemaakt tussen enerzijds koelinstallaties die gebruik maken van ozonafbrekende stoffen en/of gefluoreerde broeikasgassen en anderzijds koelinstallaties waar andere koelmiddelen worden gebruikt. Voor ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen, waarvoor belangrijke milieudoelstellingen gelden, is een belangrijk pakket bijkomende reglementering voorzien dat gericht is op het beperken van de lekverliezen van deze stoffen. Voor andere koelmiddelen is de reglementering veel minder gedetailleerd en is ze gericht op een goede bouw en opstelling van de installaties, op een goed en regelmatig onderhoud en op de terugwinning van koelmiddelen bij aftappen en buitengebruikstelling van installaties. Ook deze maatregelen zijn in belangrijke mate gericht op het beperken van de lekverliezen.

Algemene bepalingen voor alle koelinstallaties

1. Verbod op CFK’s en halonen

Het aanwenden van chloorfluorkoolstoffen en halonen in koelinstallaties is verboden. Dit verbod geldt niet voor chloorfluorkoolstoffen aanwezig in hermetisch gesloten koelsystemen met een geïnstalleerde drijfkracht van 500W of minder.

2. Bouw en opstelling van koelinstallaties

De exploitant dient een attest ter beschikking te houden waaruit blijkt dat de installatie de nodige drukbeproevingen heeft ondergaan. Uitzonderingen gelden voor bepaalde kleinere installaties en installaties die voldoen aan volgende federale reglementering:

  • het koninklijk besluit van 23 maart 1977 tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen welke bepaalde elektrische machines, apparaten en leidingen moeten bieden;
  • het koninklijk besluit van 5 mei 1995 betreffende machines;
  • het koninklijk besluit van 13 juni 1999 inzake drukapparatuur.

3. Onderhoud

De bewerkingen die verband houden met koelinstallaties en waarbij de mogelijkheid tot het ontsnappen van koelmiddel bestaat, moeten worden uitgevoerd door bevoegde koeltechnici. Indien het gaat om koelinstallaties die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten, dan betekent dit dat deze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een persoon die zelf gecertificeerd is als koeltechnicus én dat hij werk in een gecertificeerd koeltechnisch bedrijf.

De nodige voorzorgen moeten worden genomen om bij een herstelling, een lek, een ontsnapping via veiligheidsklep e.d., het ontsnappende koelmiddel de buurt niet te hinderen en het milieu niet te bezoedelen. Om de eventuele lekken tot het strikte minimum te beperken worden de koelinstallaties en toebehoren onderhouden volgens een code van goede praktijk en afhankelijk van de gebruikswijze, regelmatig onderzocht door een bevoegd koeltechnicus. Bij vaststellen van lekkage moeten onmiddellijk de nodige herstellingen worden uitgevoerd om die lekkage te verhelpen en moet een nieuwe controle op lekdichtheid worden uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken worden ingeschreven in een register dat ter inzage is van de toezichthoudende ambtenaar.

4. Terugwinning van koelmiddelen

Bij definitieve buitenbedrijfstelling moet het koelmiddel binnen de maand worden verwijderd. Bij buitenbedrijfstelling of bij herstellingen waarbij het koelmiddel moet worden afgetapt, moet het koelmiddel met doelmatige apparatuur door bevoegde koeltechnici worden opgevangen in speciaal daarvoor bestemde en gemarkeerde recipiënten. Dit koelmiddel mag, nadat het goed bevonden is, enkel in dezelfde inrichting terug worden gebruikt.

Bepalingen voor koelinstallaties met ozonafbrekende stoffen en/of gefluoreerde broeikasgassen

Voor koelinstallaties met een nominale koelmiddelinhoud van 3kg of meer die ozonafbrekende stoffen en/of gefluoreerde broeikasgassen bevatten gelden strengere voorwaarden. Doelstelling is de lekverliezen van deze stoffen te beperken.

1. Maximaal toegelaten lekverliezen

Alle mogelijke maatregelen (overeenkomstig BBT) moeten worden genomen om de lekverliezen te beperken. Het relatief lekverlies (de fractie van de nominale koelmiddelinhoud die ten gevolge van lekken en andere emissies over een periode van één jaar vrijkomt) mag maximaal 5% per jaar bedragen. De berekening van dit relatief lekverlies gebeurt aan de hand van de hoeveelheden koelmiddel die aan een systeem worden toegevoegd of afgetapt en die in het logboek worden genoteerd. Hierbij kunnen de hoeveelheden die in de twee voorgaande jaren zijn bijgevoegd of afgetapt in rekening worden gebracht, als die bekend zijn.

2. Corrigerende maatregelen

Als het relatief lekverlies meer bedraagt dan 5% per jaar moeten zo snel mogelijk en uiterlijk binnen de veertien dagen na vaststelling van het lekverlies de nodige maatregelen genomen worden om het lek op te sporen en te dichten. Nieuw koelmiddel mag pas worden bijgevuld nadat het defect is verholpen en een controle op lekdichtheid door een bevoegd koeltechnicus is uitgevoerd. Een nieuwe controle op lekdichtheid moet worden uitgevoerd binnen de maand na de herstelling.

3. Verplichte buitenwerkingstelling van lekkende installaties

Installaties met te hoge lekverliezen mogen niet verder worden geëxploiteerd.

Installaties met een relatief lekverlies meer dan 10% per jaar moeten ofwel zo snel mogelijk en uiterlijk binnen dertig dagen worden stilgelegd en het koelmiddel moet worden verwijderd en opgevangen; ofwel moet het koelmiddel worden verzameld in een of meer afsluitbare gedeelten van het koelsysteem. De lekkage moet alleszins worden opgespoord en gedicht.

Als bij lekdichtheidscontroles en/of uit de in het logboek genoteerde hoeveelheden bijgevuld koelmiddel blijkt dat na herstellingen het lekverlies niet kan worden teruggebracht tot minder dan 5% per jaar, moet de installatie binnen twaalf maanden na vaststelling van het lekverlies uit gebruik worden genomen. Voor installaties die voor 1 januari 2004 een eerste keer in dienst zijn genomen, geldt dat als om redenen van technische complexiteit die vervanging binnen de twaalf maanden niet mogelijk is, de termijn voor vervanging zo kort mogelijk moet worden gehouden (met vermelding aan de afdeling bevoegd voor milieuhandhaving).

Het koelmiddel mag pas opnieuw in het gehele koelsysteem worden ingebracht nadat het defect is verholpen en een controle op lekdichtheid door een bevoegd koeltechnicus is uitgevoerd. Een nieuwe controle op lekdichtheid moet worden uitgevoerd binnen de maand na de herstelling.

4. Periodieke lekdichtheidscontroles

Alle koelinstallaties met 3kg of meer aan ozonafbrekende stoffen als koelmiddel moeten minimaal éénmaal per 12 maanden worden onderzocht op goed functioneren en op mogelijke lekverliezen.

Voor grote koelinstallaties is de opgelegde frequentie hoger: iedere zes maanden voor installaties met een koelmiddelinhoud van dertig kilogram of meer en iedere drie maanden voor installaties met een koelmiddelinhoud van driehonderd kilogram of meer.

Bij vermoeden van lekkage moet de controle plaats vinden met lekdetectieapparatuur die geschikt is voor het betreffende koelmiddel en met een detectiegrens van ten minste 5g/jaar en onder een lichte overdruk ten opzichte van de normale bedrijfsdruk.

Een gedetailleerde beschrijving van die controles en de resultaten moeten in het logboek worden geregistreerd.

Voor installaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, geldt de Europese Regelgeving (met name EU-verordening 842/2006 die specifieke bepalingen bevat met betrekking tot lekdichtheid (pdf 103,47kB, 11pp)). In de praktijk komt dit erop neer dat ook installaties die gefluoreerde broeikasgassen bevatten volgens hetzelfde controleregime moeten worden onderzocht en dat er ook een installatiegebonden logboek bij de installaties moet worden bewaard. De controle op lekdichtheid van de installatie die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, moet bovendien gebeuren op een wijze die ten minste beantwoord aan de voorwaarden van Commissieverordening 1516/2007 van 19 december 2007 die de basisvoorschriften bevat inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat (pdf 45,70kB, 3pp).

5. Documentatie

De koelinstallatie, de werking ervan, de lekdichtheidscontroles en het verbruik aan koelmiddelen moeten worden gedocumenteerd. Zo kan worden geoordeeld of een koelinstallatie degelijk wordt onderhouden en maximaal toegelaten lekverliezen niet worden overschreden.

De belangrijkste documentatie bestaat uit:

  • een instructiekaart met gegevens over exploitant, koelmiddel en werking van de koelinstallatie;
  • een logboek met alle gegevens over de uitgevoerde werkzaamheden en de hoeveelheden toegevoegd en afgetapt koelmiddel, gedocumenteerd met facturen en (conform de afvalstoffenwetgeving) gegevens over de als afvalstoffen afgevoerde hoeveelheden koelmiddel.

Het overzichtsdocument "Uittreksel Vlaremwetgeving 26 mei 2010 i.v.m. koelinstallaties" (pdf 92kB, 10pp) vermeldt de relevante onderdelen van de Vlarem-reglementering (art. 1.1.2.; art. 5.16.3.3. en hoofdst. 6.8.).